9 april 2026: Geen tijd voor haast.

Ieder veldseizoen voelt weer als cadeautje dat je alleen heel langzaam uit kan pakken. Je weet ongeveer wat je krijgt, maar toch is het ieder jaar weer anders. Wanneer komen de meeste vliegenvangers dit jaar aan? Hoeveel gaan er uiteindelijk broeden (en ook hoeveel mezen en boomklevers)? Gaan er veel rupsen zijn, en ze zullen de vliegenvangers goed of juist niet gesynchroniseerd zijn? Het zijn nu nog allemaal onbekenden, maar zo in de loop van het voorjaar ontvouwen zich de antwoorden. Ieder jaar is weer anders, maar het is de reeks met jaren die het vooral interessant maken. Dit jaar het 20e alweer.

Tijd is een wonderlijk begrip. Het vervliegt zonder dat je er iets voor hoeft te doen. Voor de vogels is die tijd belangrijk, maar voor ons onderzoekers ook. En dit jaar voelt dat nog meer dan anders, omdat ik meer waarnemingen in dezelfde tijd moet doen. Eigenlijk is het gekkenwerk. Het vreemde is dat er geen tijd is voor haast. Door haast mis je te veel.

De mooiste waarnemingen zijn misschien wel de toevallige ontmoetingen. Een vliegenvanger die stil vanuit een ooghoek gevonden wordt. De twee mannen die stil met elkaar vechten om een nestkast. De man die op de dag van aankomst al een vrouw heeft en daarom nauwelijks heeft gezongen. Maar die stille waarnemingen geven ook reden tot twijfel. Hoeveel mis ik eigenlijk? Na een rondje door een nestkastplot moet ik me soms bedwingen om een tweede rondje door hetzelfde plot te maken. Want wat als er nu vogels zingen die dat net nog niet deden. Twijfel is een van de gereedschappen van een wetenschapper, want alleen door die twijfel maak je je waarnemingen beter. Maar te veel twijfelen is contraproductief, en dat tweede rondje laat ik voor wat het was. Morgen weer een kans. En gelukkig weet ik dat we op deze manier echt een heel goede benadering van de aankomstdatum van ieder individu hebben.

Hoog in de dennen, kwelen de kepen. Fitissen zingen hun melancholieke liedje. Voor mij voelt het alsof twee gescheiden werelden hier nu samen komen. De Afrikaanse wereld van de fitis, en de Scandinavische wereld van de kepen. Nu de fitissen er net zijn, staan de kepen op het punt van vertrek. Maar dat is mijn lokale perspectief. Waar de kepen naartoe trekken, broeden ook fitissen. En nog veel meer dan hier. Dat zijn wel echt andere fitissen: die trekken naar via Oost-Europa naar Oost-Afrika. Stoere, kleine lange afstandstrekkers.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *