Vanochtend weer eens echt vroeg begonnen, om de hitte voor te zijn. Het zijn de mooiste momenten van de dag, en het is jammer dat het zo moeilijk is zo’n vroeg ritme vol te houden. Dat ligt meer aan de sociale omgeving dan aan mij zelf. Twee jonge zwarte spechten flappen door het bos. Voor het eerst sinds tijden roept er weer eens een kleine bonte specht. Vast ook een teken dat daar jongen zijn uitgevlogen. De wielewalen judeljoĆ«n er op los. Zou dat ook een slecht teken zijn, omdat het kan betekenen dat er veel mannen zonder vrouw zijn?
Als onderzoeker probeer ik vooral systematisch te werken, maar een zeker opportunisme is mij niet vreemd. Het is gebruik maken van plotselinge kansen die zich even voordoen. Ook vliegenvangermannen hebben volgens mij die neiging. Wanneer ze lang geen vrouw krijgen, dan lijken ze op te gaan schuiven, vooral richting plekken waar nog andere mannen zitten te zingen. Zo krijg je clustertjes van vrijgezellen. En dan zingt er opeens een “nieuwe” man bij nestkast 736. Omdat ik toch nog verschillende andere klussen hier in de buurt heb, plaats ik (heel opportunistisch) een klep. Zoiets kost nauwelijks tijd, en mogelijk levert het iets op.
En jawel, een uurtje later is het zingen gestopt en zit de klep dicht. De man is al geringd, en het blijkt een terugvangst te zijn van een man die weken achter elkaar zo’n 500 meter verderop bij een andere nestkast heeft zitten zingen. Opvallend is dat hij de binnenste slagpen mist. Begonnen dus aan de rui, wat vast ook betekent dat hij snel stopt met zingen. Het klinkt vandaag ook wat als een halfslachtige poging om op de valreep (en tegen beter weten in?) een vrouw te krijgen. Maar ik zou zeggen: hou nog even vol! Binnenkort vliegen de eerste jonge vliegenvangers alweer uit, en mogelijk besluit de moeder dan om nog een tweede broedsel te maken. Het komt niet vaak voor, maar als het gebeurt kiest ze vaak zo’n ongepaarde man. Dus het loont vast om nog even de rui uit te stellen, en de komende week extra mooi te zingen.