Zelfs in de stromende regen zitten er nu nog vliegenvangers te zingen. Ben eigenlijk verbaasd dat nog niet alle mannen de brui er aan hebben gegeven, zeker met dit natte weer.
Als ik vanochtend geen haast had gehad dan had ik nog even gewacht tot het droog werd, want voor mijzelf en de vliegenvangers is het geen pretje dat ik jongen moet meten en wegen. Maar vanmiddag wachten de studenten voor een introductie in de mooie wereld van het vogels kijken. Het is een van de laatste volle velddagen, want bijna alle jongen zijn geringd en twee maal gewogen. Zo hebben we weer minstens anderhalf duizend waarnemingen toegevoegd aan onze niet geringe databank.
Al die metingen stemmen altijd weer tot nadenken. Opvallend dit jaar lijkt dat de gebieden verschillen in hoe zwaar de jongen zijn vlak voor het uitvliegen. Vooral in een plot in het Dwingelderveld vind ik de jongen maar relatief licht, maar hoeveel maakt het uit of jongen gemiddeld een halve gram lichter zijn? Op een gewicht van 14 gram is dat toch al bijna 4%, en misschien maakt dat net het verschil tussen wel of niet overleven als de omstandigheden na het uitvliegen niet zo goed zijn. En wat dat maakt dat jongen op die ene plek het toch wat slechter doen? Is er heel lokaal dan voedsel gebrek?
Je kan de vraag ook stellen vanuit een vliegenvangerouder: hoeveel eieren moet die leggen om uiteindelijk zoveel mogelijk overlevende jongen uit dit broedseizoen te halen? Als je teveel eieren legt dan ontstaat er voedselgebrek, want als ouder kan je al die snavels niet voeden. We weten dat jongen dan lichter uitvliegen en minder vaak terugkeren als broedvogel. Zoals zoveel in de natuur is de juiste balans hier ook belangrijk. En ouders schatten het soms misschien ook verkeerd in, en hebben dan meer jongen dan waar voedsel voor is.
Ik vraag me soms wel af waar al die gegevens van de gewichten van al die jongen nu precies goed zijn. We kunnen immers heel direct meten wie terugkomt en wie niet, en die tussenstap met die gewichten zouden we ook over kunnen slaan. Aan de andere kant: of jongen terugkeren hangt niet alleen af van hoe goed ze uitvliegen, maar ook of ze de weg naar onze kasten terug kunnen vinden, of gewoon ergens anders gaan broeden. En in die overleving zit ook een grote mate van geluk. Even niet opletten en een jong is een sperwermaaltijd. Ik wil de komende maanden eens goed nadenken over hoe je nu die biologische fitness meer, en weer eens wat gaan zitten rekenen aan die enorme berg met getallen. Je kan het minder leuk vinden dan struinen door het bos. Het levert ook weer andere verhalen op, die wat minder gemakkelijk zo in de blog te vertellen zijn. Maar misschien ga ik een poging wagen.