Wederom een stralende dag. Natuurlijk, we hebben weer hard tegen nodig, maar voor het veldwerk is dit perfect weer. De vliegenvangers zingen de longen uit het lijf. Of eigenlijk alleen de mannen die nog steeds geen vrouw hebben, en dat zijn er nog steeds bijzonder veel. In de loop van de afgelopen twintig jaar hebben we dat fenomeen sterk zien toenemen. In het begin was het rond de vijf procent, en tegenwoordig zit het vrijwel elk jaar boven de 20. En lokaal kan het nog een stuk hoger zijn.
Voor de argeloze waarnemer lijkt het Dwingelderzand en het Die verzand vol te zitten met bonte vliegenvangers. Overal zitten nu mannen te zingen. Maar het wrange is bijna dat hoe meer er gezongen wordt, hoe slechter het voor de vliegenvangers is. Vorig jaar bleef in het Dwingelderzand de helft van de mannen ongepaard, en dit jaar is het nog steeds niet veel beter.
Waarom dat aandeel ongepaarde mannen zo toeneemt is me nog steeds een raadsel. Is het de toegenomen predatie op broedende vrouwen? Mogelijk, maar dat gebeurt dan buiten ons zicht, want we hebben de roofdieren tot nu toe redelijk buiten de nestkasten weten te houden. Maar de consequentie van die toename van mannen zonder vrouw is waarschijnlijk dat de druk voor mannen om vroeg aan te komen er sterker door wordt. Immers, vroeg aankomende mannen hebben een veel grotere kans om gepaard te raken dan mannen die later aankomen. Misschien is het geeneens zo dat vrouwen die vroege trekkers prefereren, maar ze hebben gewoon meer tijd om een vrouw te krijgen. Misschien is de reden dat mannen over de jaren hun aankomstdatum meer vervroegen dan vrouwen dus wel een consequentie van dat toenemende vrouwen tekort. Het zou ook wel interessant zijn om te weten of in zuidelijke Nederland, waar de vliegenvangers erg in de lift zitten, meer mannen aan de vrouw komen. Het vergt echter nogal wat werk om dat goed te kwantificeren, en bijvoorbeeld niet de gepaarde mannen die proberen een tweede vrouw aan te trekken (en dus weer zingen op een andere plek), mee te tellen.