Eigenlijk vangen we dus geen ongepaarde mannen voor 10 mei, maar ik geloof niet meer in het wonder. Dit zijn min of meer de vrouwen waarmee we het moeten doen. En omdat er dit jaar dus wel heel veel ongepaarde mannen moeten worden gevangen, ben ik vanochtend mijn geluk maar eens gaan beproeven. Ik heb vijf kleppen, en daarmee ving ik in het Dieverzand binnen een uur vier ongepaarde mannen.
De vraag is soms hoe je die kleppen het beste inzet. Als een man bijvoorbeeld bij twee nestkasten zingt, ga je daar dan twee kleppen aan besteden? Voordeel is dat hij niet gemakkelijk uitwijkt naar de kast zonder klep. Nadeel is dat het de mogelijkheid van nog een andere man te vangen wegneemt. Een klep kan immers maar op één plek tegelijkertijd staan. Bij de man die bij 304 en 305 zat te zingen pakte het vreemd genoeg goed uit. In beide kasten een klep gezet, de verwachte man zat in 304, maar ook bij 305 was de klep dicht. Daar bleek buurman van nestkast 277 in te zitten, die ik inderdaad al even miste bij zijn eigen kast. Heel prettig om te merken dat me wat dit betreft niet zoveel ontgaat.
Vervolgens ging het vangen in het Dwingelderzand helaas slecht. Daar zijn zoveel nestkasten leeg, dat bijna alle mannen wel bij meerdere nestkasten zitten te zingen. Misschien maar eens proberen om de nestkasten van een specifieke man waar ik geen klep in zet, gewoon even dicht te stoppen. Zo dwing je de man misschien naar de klep toe.
Soms denk ik wel eens dat die vliegenvangers mooie kleine machientjes zijn. Op specifieke input, leveren ze ook heel specifieke output. Dus aankomst in het broedgebied betekent een nestholte zoeken en gaan zingen. En dat zingen gaat net zolang door totdat de man een vrouw heeft. Die input leidt gelijk tot andere output: niet meer zingen. Andersom geldt het ook: wanneer de vrouw plotseling verdwijnt, gaat er bijna gelijk weer gezongen worden. Zo kwam ik er snel achter dat bij kast 312 de vrouw verdwenen was. Één ei gelegd, maar daarna is het gestopt, en de man zit gelijk weer te zingen. Je kan dan denken dat die vliegenvanger weinig emoties voelt voor zo’n vrouw. Maar je kan ze ook zien als opgeruimde baasjes die het leven nemen zoals het komt. Onmogelijk om echt in het hoofd van zo’n vogel te kruipen.
Zo’n machientjes-metafoor doet maar zeer beperkt recht aan die vliegenvangers. Als je het al als machientje wil zien, dan zijn het ongelooflijk knappe machientjes, die allerlei dingen kunnen die door mensen gemaakte machines niet kunnen. Zo kunnen ze zichzelf vermenigvuldigen, maar ook goed leren van allerlei ervaringen, waarbij ze een heel leven moeten aankunnen. En anders dan door ons gemaakte machines zijn ze ook allemaal net wat verschillend.
Vandaag hadden de koolmezen een echte babyboom: in veel kasten kwamen de jongen uit. Opvallend gesynchroniseerd lijkt het dan, maar dat is vast meer indruk van het moment.
