Wat nestkasten kunnen doen met een vogelbevolking van een bos, is meest zichtbaar langs wat ik het vliegenvangerlaantje noem. Het is een stuk van slechts zo’n 300 meter zandpad door dennenbos met ondergroei van eik in het Dieverzand. Aan beide zijden hangen nestkasten, en er huizen daar momenteel wel tien vliegenvangermannen. Dus om de 30 meter zit er weer een man te zingen. Als onderzoeker is het én mooi om zoveel beesten te hebben, én om gek van te worden, want je moet ze allemaal uit elkaar zien te houden. Vooral op de man van nestkast 260 krijg ik nog maar moeilijk vat. Zit steeds hoog in de bomen te zingen, laat zich slecht zien, en hij gedraagt zich alsof hij nog ongepaard is. Maar ondertussen ligt in zijn nestkast al wel nestmateriaal, en dat moet iemand er in hebben gedaan. Mogelijk is die vrouw weer vertrokken.
Wanneer je vanaf westelijke richting aan komt lopen, dan zijn er eerst geen nestkasten en vind je ook geen (of nauwelijks) vliegenvangers, en dan dus plotseling die explosie van vliegenvangers waar het nestkastterrein begint. Als we even aannemen dat die nestkasten zo’n 30 meter aan weerszijden van het pad hangen, dan zou dit gebied 1.8 hectare beslaan, en hebben we dus een dichtheid van zo’n zes paar vliegenvangers per hectare. Dat klinkt onwaarschijnlijk hoog, maar is nog niets bij de dichtheid van 21 paar per hectare die ooit in Zuid-Finland werd gevonden (of gecreëerd door heel veel nestkasten bij elkaar te hangen).
Eigenlijk begrijp ik slecht waarom dit vliegenvangerlaantje elk jaar weer zo verschrikkelijk vol zit met vliegenvangers, terwijl voor mij op het oog toch vergelijkbaar habitat veel minder vliegenvangers herbergen. En als disclaimer bij de hoge vliegenvangerdichtheden hier: dit gaat nu nog om vooral mannen, en uit eerdere jaren weten we dat dit een gebied is waar relatief veel mannen geen vrouw krijgen. Dan zou je denken dat vrouwen misschien de voorkeur geven aan gebieden met een lagere dichtheid, omdat hier bijvoorbeeld per nest meer voedsel beschikbaar is (want je moet minder snavels voeden). Daar zijn echter twee dingen op te zeggen: het andere gebied met nog meer mannen die ongepaard blijven is het Dwingelderzand, en hier is de dichtheid aan vogels juist relatief laag. En ten tweede: uit eerder werk blijkt dat bonte vliegenvangers nauwelijks last hebben van concurrentie van elkaar. Waar koolmezen duidelijk slechter reproduceren als er veel koolmezen bij elkaar zitten vanwege de concurrentie om voedsel, is daar bij vliegenvangers nauwelijks sprake van. Wonderlijke verschillen tussen soorten.