Zoals in de meeste jaren gaat zo’n blog als een nachtkaars uit. Met het verdwijnen van het veldwerk, verdwijnt ook de inspiratie om dagelijks iets te schrijven. Dus dit is voorlopig de laatste voor dit jaar, waarin ik nog even terugkijk.
Het begon dit jaar met de eerste vliegenvangerman die aankwam op 4 april. Niet uitzonderlijk vroeg, hoewel dit afhangt van op wat voor tijdschaal je kijkt. Rob Bijlsma die sinds 1981 de eerste bonte vliegenvangers bijhield, zag pas in 1998 de eerste vliegenvanger zo vroeg in Drenthe. In de jaren ’80 kwam de eerste man gemiddeld twee weken later aan. De afgelopen jaren is dit het nieuwe normaal. Qua gemiddelde aankomst zat dit jaar bij de vroegste ooit. De aankomst blijft maar vervroegen, en het interessante is dat dit totaal onafhankelijk is van de weersomstandigheden hier in het voorjaar. Vaak denken mensen dat vogels eerder komen met mooi weer, maar dat komt misschien meer omdat waarnemers met mooier weer meer buiten zijn, en daardoor eerder die vroegste vogels zien. Of die vervroeging kan blijven doorgaan is één van de interessante vragen waar we hopelijk ooit antwoord op zullen krijgen. Vreemd is eigenlijk wel dat aankomst wel vervroegt, maar eileg de afgelopen 20 jaar niet meer. Gemiddeld nemen vrouwen dus nu meer tijd tussen aankomst en start van eileg. Je kan zeggen dat ze wat tijd hebben gewonnen, en als het voorjaar nu ongewoon vroeg is, hebben ze wat meer flexibiliteit om daar op te reageren. Dan kunnen ze sneller hun nest bouwen en eieren leggen, en daarmee hun jongen onder betere omstandigheden laten opgroeien.
Dat brengt me bij de rupsen van dit jaar. We hebben weer onze meetreeks voortgezet, en braaf de rupsenpoep uit de doeken geschept. Dit jaar was het iets moeilijker dan de afgelopen lentes, omdat we in mei zeer regelmatig regen hadden. Goed voor het bos, maar slecht voor die keutelmonsters. Ik heb nu de eerste boom uitgewerkt, en de datum van de piek ligt op 10 mei. Niet uitzonderlijk vroeg, maar ook dat hangt weer af van je referentie. Ooit was dit misschien wel drie weken later. Spannend was ook hoe hoog de piek dit jaar zou zijn. Op basis van één boom is dat nog niet zo heel gemakkelijk te zeggen, maar toch maar even een grafiek waarop gegevens van twee eiken staan van de piekhoogte van 2007-2026. Alleen de boom met groene punten heb ik nu uitgewerkt, en daaruit blijkt dat er dit jaar weinig rupsen waren. Het past wel in het beeld van afname de afgelopen vier jaar. En hoewel dit weinig lijkt, waren de jaren 2011-2016 een heel stuk slechter. Dit jaar ligt de piek 4-5 maal zo hoog. Zo slecht is het dus niet, en mijn indruk is dat er stukken bos waren, waar het duidelijk beter was. Er liggen nog enige honderden zakjes met keutels te wachten om uitgezocht te worden. Nu ben ik alweer benieuwd hoe het er volgend jaar gaat uitzien.

2026 gaat ook de boeken in als het jaar met een uitzonderlijk hoog aandeel mannen dat geen vrouw wist te krijgen. En ook met het laagste aantal broedparen dat we de afgelopen twintig jaren in de nestkasten hadden. Daar ging het zeer regelmatig over in deze blog. Met alle vangsten heb ik al gekeken of vrouwen die vorig jaar broedden, dit jaar slecht terugkwamen (lage overleving), maar daar lag het dus niet aan. Het moet dus zo zijn dat er minder aanwas is van nieuwe vogels. Komen er minder migranten (immers: de grenzen moeten dicht….) en/of keren lokaal geboren jongen tegenwoordig ook minder terug dan in eerdere jaren? Ook daar ligt een hele berg gegevens te wachten op analyse.
De vliegenvangers zijn nu hard bezig met de rui, en in het bos zal je ze moeilijk tegenkomen. Heimelijke vogels in deze tijd van het jaar, die vooral van de boomtoppen houden. De eerste mannen zullen al snel vertrekken naar Afrika. Vooral de ongepaarde mannen doen dat wat eerder, want die kunnen eerder met de rui beginnen. Over een week of vier zijn al onze broedvogels onderweg, maar je kunt tot in oktober bonte vliegenvangers zien in Nederland. Dat zijn trekkers uit noordelijker en oostelijker streken. Die beginnen later in het voorjaar, en zijn dus ook pas later klaar om weer naar Afrika te gaan.
Gelukkig is met het aflopen van het vliegenvangerseizoen er nog voldoende te beleven buiten. Ik kan m’n aandacht weer wat meer op de roodborsttapuiten richten, die vlakbij ons huis broeden. Die zijn nog hard bezig met hun tweede broedsel, of misschien zelfs al een derde. Ik heb de vangerij weer voorzichtig opgepakt, en had dinsdagavond gelijk beet. Een vrouw, die er al bijzonder afgevlogen uitzag. Kijk eens goed naar die vleugelpunten: daar zijn de randen vanaf gesleten, en je kan er bijna doorheen kijken. De vleugel was ook uitzonderlijk kort, waarschijnlijk door die slijtage. Zo wordt het steeds moeilijker vliegen, en het zal ook niet meer lang duren voordat deze vogels gaan ruien.

Door die roodborsttapuiten te kleurringen kan ik ze individueel in het veld herkennen, en ik ben vooral benieuwd wie deze winter weer gaat blijven, en of de vogels die niet blijven lokaal weer terugkeren volgend voorjaar. Zo kan ik uitkijken naar nieuwe avonturen, en nieuwe ontdekkingen. En ja, we weten al best veel over die vogels, maar er is nog een wereld te ontdekken. Voor wie er oog voor heeft, en er voldoende tijd aan wil besteden. Ik ben in de gelukkige omstandigheid dat ik dat deels als werk mag doen. Wat een rijkdom.
