
Gister verscheen een mooie studie van onze hand in het tijdschrift Science. Door het noeste veldwerk van veel onderzoekers op verscheidene plekken in Europa, maar bovenal van Koosje Lamers en Janne Ouwehand, hebben we echt nieuwe dingen geleerd over vogeltrek. Het is mooi om dat verhaal bij een breder publiek onder de aandacht te brengen, en een artikel in Science helpt daar bij.
De media berichten nu vooral over de mooie resultaten, maar het verhaal daarachter mag hier wel verteld worden. Het begon in 2010, toen Janne de hand wist te leggen op dataloggertjes die eindelijk klein genoeg waren om te gebruiken op bonte vliegenvangers. Eigenlijk waren het nog geen echte loggers, maar een soort bouwpakketjes van loggers, en gelukkig was Janne handig genoeg om die in elkaar te solderen. In dat voorjaar probeerden we een paar uit, vooral om te zien of de vliegenvangers er uberhaupt mee konden vliegen. In 20211 gingen we er echt goed mee aan de slag, en dat jaar stuurden we maar liefst 60 bonte vliegenvangers uit Drenthe op weg met zo’n rugzakje. Het was geen echt gestroomlijnd pakketje, en het gewicht was net laag genoeg (dat is <5% van het lichaamsgewicht) om geen al te slechte resultaten te verwachten. Om heel eerlijk te zijn was het wel een gok, en hadden we een grote groep vliegenvangers een gewisse dood in kunnen sturen door te veel van ze te vragen. Je moet vervolgens bijna een jaar wachten voordat je weet hoe dat afloopt, en in het voorjaar van 2012 was het bijzonder spannend om te zien of er vliegenvangers met loggers terugkeerden. Gelukkig bleek dat zo te zijn, want anders was dit verhaal in Science er niet gekomen. De terugkeer van vogels met en zonder loggers leek elkaar niet te veel te ontlopen. Er was wel teleurstelling, want een deel van de loggers die we terug vingen bleek geen of magere resultaten te bevatten. Je kan het ook anders bekijken: in één winter leerden we meer over waar Nederlandse bonte vliegenvangers in de winter uithangen dan in 100 jaar vogels ringen. Immers: nog nooit was er een Nederlandse ring ten zuiden van de Sahara gevonden, en opeens hadden we van wel zeven vliegenvangers een geschatte positie uit het overwinteringsgebied. Hierbij moet ik gelijk vermelden dat het geen sinecure was om uit die gegevens op die loggers een positie te kunnen bepalen. Je krijgt immers geen GPS-punt, maar alleen hoeveel licht er elke tien minuten door de logger werd waargenomen, en dat in een groot databestand. Het is aan het doorzettingsvermogen van Janne te danken dat het lukte. In theorie is het vrij gemakkelijk om te bepalen wanneer het licht en weer donker wordt, maar in de praktijk zitten vliegenvangers soms in de zon, soms in de schaduw, of vallen de rugveren over het licht-sensortje heen. Nadien hebben we nog verschillende jaren deze loggers gebruikt. Ze evolueerden naar kleiner en meer gestroomlijnd, dus beter voor de vogels. En toen we aan het einde van een project van Janne geld over dreigden te houden, hebben we nog extra loggers gekocht en die opgestuurd naar collega's die op verschillende plekken in Europa (en Azië) onderzoek doen aan broedende bonte vliegenvangers. Dus er gingen 20 loggers naar Tomsk in Siberië, want dat was de plek die het verst weg lag van het Afrikaanse overwinteringsgebied. En er gingen ook 20 naar Spanje, waar bonte vliegenvangers in de bergen broeden, en dat zijn de vliegenvangers die het dichtstbij de overwinteringsgebieden broeden. Het was nog even zweten of die loggers op tijd in Tomsk arriveerden voordat de vliegenvangers vertrokken, want ze bleven te lang bij de Russische douane liggen, die ze misschien aanzag voor geavanceerde spionage-apparatuur. Ik kreeg ze terug op congressen, omdat we niet het risico wilden lopen dat die loggers met al hun waardevolle data in de post kwijt zouden raken. De meeste van die loggers gingen in 2015 naar Afrika en kwamen in 2016 terug. Al die vliegenvangers zijn ondertussen waarschijnlijk dood. Niet gestorven voor de wetenschap, maar deels hebben ze zonder dat te weten wel geleefd voor de wetenschap, en dit is daarom een postuum eerbetoon aan hun epische vluchten. Om daar een beeld van te krijgen kan je de samenvatting van ons artikel hier lezen . Hier is het ook wel gepast om een eerbetoon te geven aan één van de onderzoekers die publicatie niet meer heeft meegemaakt: Helmut Sternberg. Herr Sternberg was geen onderzoeker, maar volgens mij een bankier, met grote passie voor vogels, en in het bijzonder bonte vliegenvangers. Als echte burgerwetenschapper heeft hij zijn eerste publicaties al geschreven voordat ik geboren werd, halverwege de jaren ’60. En in de laatste twintig jaar was hij nauw betrokken bij het onderzoek aan bonte vliegenvangers in Tomsk. Het zou mij niet verbazen als hij een deel van die onderzoekers daar uit eigen zak zou hebben betaald, en hij ging regelmatig naar dat verre oord om samen met zijn Russische vrienden de vliegenvangerpopulatie daar bij te houden.
De andere hoofdpersoon in dit verhaal is Koosje Lamers, die het artikel schreef en een groot deel van de data analyseerde. Maar die bovenal verantwoordelijk was voor een krankzinnig experiment dat we uitvoerden. Dit begon trouwens niet bij Koosje, maar bij Claudia Burger, die ook weer in 2010 een eerste poging deed. Het idee was of we Nederlandse bonte vliegenvangers in Zuid-Zweden konden laten broeden, om te testen of vliegenvangers (of trekvogels in het algemeen) zich kunnen aanpassen aan klimaatverandering door wat verder naar het noorden door te trekken. Daarmee kunnen ze mooi gesynchroniseerd blijven met de start van de alsmaar vervroegende lente, zonder dat ze daarvoor eerder uit Afrika moeten vertrekken. Nadat Claudia het experiment met goed succes in 2010 had gedaan, duurde het tot 2017 voordat het echt vaart kreeg. Met Koosje aan het roer, hebben we (en dat zijn o.a. Richard Ubels, Marion Nicolaus en Xuelai Wang) in drie jaar tijd ruim 60 vliegenvangervrouwen en wel 90 nesten met eieren naar Zweden gebracht. Het mooie is dat we daarmee in Zweden vliegenvangers hadden die helemaal Nederlands waren (de ei-verplaatsing), half Nederlands (van verplaatste vrouwen met hun Zweedse man) en geheel Zweedse. Gelukkig keren jonge vliegenvangers terug naar de plek waar ze zijn geboren, en die terugkerende vliegenvangers kregen vervolgens ook allemaal weer een dataloggertje, zodat we konden uitvinden in welke mate de overwinteringsplek door overerving bepaald wordt (dus mogelijk door genen), en door de plek waar je opgroeit.
Na de tour de force van deze verplaatsingsexperimenten, vingen Koosje en haar team vervolgens die vliegenvangers met loggers terug. Het is soms een logistieke nachtmerrie geweest om dit allemaal voor elkaar te krijgen, maar dat doorzettingsvermogen is nu beloond met dit artikel waar ik bijzonder blij mee ben. Allerlei stukjes van de ingewikkelde vliegenvangerpuzzel vallen mooi in elkaar. Maar het geeft ook ergens aan hoe weinig we toch weten over een groot deel van het leven van deze (en vele andere) trekvogel(s). En als je ziet dat waarschijnlijk de gehele populatie van niet minder dan tachtig-miljoen bonte vliegenvangers in het najaar door het Iberisch schiereiland trekt, dan ziet dat er toch kwetsbaar uit. Code rood geldt nog niet voor hen, maar met doorgaande klimaatverandering en verwoestijning op die belangrijke plek, kan een algemene soort opeens kwetsbaar worden.