21 juni 2026: Veldwerkblues.

Hoe verwerk je als verstokte veldbioloog het einde van zo’n lang en intensief broedseizoen? Door gewoon weer lekker naar buiten te gaan! Even niet het verplichte bos met haar nestkasten en vliegenvangers. Die hebben mij even niet meer nodig. Maar in de polder vlakbij ons huis is het smullen. Even een uurtje na de afwas. Er broeden weer steltkluten, die nu met jongen van slechts een paar dagen rondstappen. Het is vast een tweede broedpoging. Stoere ouders die steltkluten, want onverschrokken gaan ze achter alles aan wat maar enig gevaar geeft voor hun kuikens. Sterker nog: geheel ongevaarlijke vogels als tureluurs moeten het ook ontgelden als ze iets te dichtbij komen.

En hoewel het nog volop zomer is, keren de eerste steltlopers alweer terug vanuit hun noordelijke broedgebieden. Kemphaanmannen met hun gekleurde kragen. Moegestreden op hun noordelijke toernooivelden. Er zijn ook al weer enkele zwarte ruiters, wat zeer waarschijnlijk vrouwtjes zijn die eieren hebben gelegd en de broedzorg geheel aan hun man hebben toevertrouwd. Waar je een kemphaan als soort weinig geëmancipeerd kan noemen, zijn die zwarte ruiters het tegendeel.

En niet alleen in de avonden zorg ik dat ik buiten kom, maar ook vanochtend een wandeling op het mooie Eexterveld. Een botanisch paradijs met ook aardige vogelsoorten: grauwe klauwieren, wielewalen en een roepende kwartel in het hoge gras. Bloemen in overvloed, maar qua insecten viel het me toch wat tegen. Ja, er vliegen veel heideblauwtjes, distelvlinders, en waarschijnlijk zag ik als zeldzamere soorten een grote weerschijnvlinder en een grote vos. Ook was ik blij met de zwervende heidelibel. Maar zo’n gebied moet zoemen van de zweefvliegen, wespen, hommels. Eigenlijk zou je er niet in korte broek doorheen willen struinen, omdat je opgegeten zou moeten worden door de muggen en de dazen. Hoewel dat laatste prettig is, voelt het voor mij zorgwekkend. Die insecten zouden er moeten zijn. Niet alleen voor mij, omdat ik ze mooi vind, maar ze horen algemeen te zijn in een dergelijk systeem.

Vorige week zondag liepen we bij het Gasterense Diepje, en tot mijn vreugde viel het daar mee qua zweefvliegen. Ik heb geen goede referentie meer, omdat het te lang geleden is dat ik hier intensiever naar keek, maar vorige week had ik weer eens het idee dat er wat te ontdekken was aan spannende zweefvliegsoorten. De mooie goudenbladloper die als een wespje over de bladeren loopt. Of de extreem goede wesp-imitator, die de passende naam “echte wespvlieg” heeft. Die zweefvlieg lijkt niet alleen op een wesp met z’n zwart met gele banden, maar steekt z’n zwarte voorpoten ook nog zo voor z’n snuit uit dat het lijkt alsof hij lange voelsprieten heeft. Zo lijkt die nog meer op een echte wesp. Ik had er in geen jaren één gezien, en daar zaten er verschillende op bladeren van bramen in de bosrand.

Maar vandaag dus bijna niets. Je kan beweren dat zo’n anekdote nietszeggend is, en daarin kan je gelijk hebben. Het is echter een groter patroon: insecten als zweefvliegen zijn aan het verdwijnen. Daar maak ik me zorgen over. Niet alleen omdat dit voor ons mensen een probleem kan worden, omdat zweefvliegen goede bestuivers zijn. Ik vermoed dat dit ook voor andere onderdelen van zo’n systeem gevolgen gaat hebben. Paradoxaal genoeg lijken de insectenetende vogels nog niet massaal te verdwijnen, maar het kan bijna niet anders dat dit dreigt te gebeuren. Als je te veel schakels uit die complexe voedselketens haalt, zullen ze vroeger of later niet meer functioneren. Het is iets om je zorgen over te maken, maar het lijkt voor bijna niemand echte prioriteit te hebben. Andere ellende in de wereld vraagt om voorrang, en duurzame leefbaarheid kan wel even wachten. Of eigenlijk helemaal niet.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *