Daar stond ik om 7 uur in het bos. De zon kwam nog niet boven de bomen uit, en het was maar een paar graden boven het vriespunt. Geen omstandigheden om naakt door het bos te lopen, maar zo voelde het helaas wel wat. Ik was namelijk zo stom geweest om mijn verrekijker te vergeten van huis. Gelukkig was Hans Kruk van Staatsbosbeheer zo aardig dat ik de zijne mocht lenen, dus toen ik me weer gekleed voelde kon ik echt op zoek naar vliegenvangers.
Op zo’n mooie dag als vandaag zou je denken dat de vliegenvangerstroom vanuit het zuiden wel goed op gang moet zijn gekomen. Dat viel nog wel wat tegen. Enkele nieuwe mannen waren er wel. Mooi om te zien hoe die gelijk hun plek lijken in te nemen in het bos. Nog wel wat onwennig, nog nauwelijks zingend. Dat moet toch ook een grote transitie zijn, van de enorme prestatie van de voorjaarsvlucht (door-door-door), naar je opeens vestigen op een plekje om daar de komende maanden te blijven. Het blijft een wonder dat ze vaak bijna op dezelfde plek terecht komen als vorig jaar. Hoe ze dat precies voor elkaar krijgen weten we slecht. De navigatie over grote afstanden gaat op basis van allerlei ingenieuze compassen (zonne- en sterrencompas, magnetisch compas), maar dat laatste stuk moeten ze vast op basis van landschapskenmerken doen die ze hebben onthouden. En hoewel die vliegenvangers vooral ‘s nachts trekken, zou het zomaar zo kunnen zijn dat ze het laatste stukje naar huis toch overdag moeten reizen, om dat landschap goed te kunnen lezen. Hoe ver zou dat dan nog zijn? En zouden ze ook zin hebben om daar weer aan te komen?
De oogst van vandaag voor mij was dat ik vier nieuwe mannen erbij heb, maar ik heb de twee vogels die gisteren aankwamen nog niet weer gezien. Morgen weer een nieuwe kans.